Programma Gehoorzame Hond 1

Terug naar Gehoorzame Hond

1. Aandacht oefening.
De hond kan op commando in de ogen van de geleider kijken. De handen van de geleider zijn bij de buik. De oefening wordt uitgebreid tot de hond circa 30 seconden naar de geleider kan kijken voordat hij beloond wordt. De aandachtsoefening wordt ook dynamisch uitgevoerd door in een vierkant met andere honden te lopen, twee honden per zijde; met de klok mee, oversteken, tegen de klok in, etc. Het idee van dit vierkant is dat er meerdere combinaties tegelijk verplaatsen en de honden aandacht voor hun geleider houden. Het vierkant moet dusdanig groot zijn dan de geleiders met de hond elkaar ruim kunnen passeren.

2. Wachten.
Tijdens het wandelen gaan we wachten. De hond moet hiervoor minimaal 3 seconden wachten tussen twee pionnen (denkbeeldige stoeprand). De hond mag zitten of staan, dit gebeurt op commando (zit, wacht, sta etc). De hond blijft bij voorkeur staan, kiest men voor het geven van een zit ipv een wacht, dan zal dit consequent moeten worden doorgevoerd bij iedere stoeprand, wat niet altijd even praktisch is. Ook op latere leeftijd kan een hond moeite krijgen met steeds zitten op commando, vandaar dat de voorkeur bij stoepranden uitgaat, naar het commando wacht. Op het teken van de instructeur mag de combinatie naar de volgende pionnen. De geleider geeft een signaal aan de hond voordat hij in beweging komt, er mag geen spanning op de riem komen/correctie gegeven worden. Deze oefening kan met meerdere combinaties tegelijkertijd worden uitgevoerd.

3. Volgen.(min +/-)
De geleider wandelt met de hond een door de instructeur te bepalen volgparcours van circa 60 meter. Tijdens het parcours worden in ieder geval de volgende handelingen verricht; links, rechts, rechtsomkeert en halt houden. Het voergebruik en belonen wordt dusdanig afgebouwd dat er voor het volgen nog maar 1 maal beloond wordt, namelijk aan het eind van het volgparcours. Regelmatig belonen met stem is wel toegestaan, evenals het vasthouden van de aandacht door tegen de hond te praten. Het is niet toegestaan dat de hond achter het voertje/hand aan loopt.

4. Voor- en achterlangs.(min +/-)
Volgen met aandacht voor- en achterlangs de groep geleiders met honden op afstand van 2 meter. De combinatie die loopt passeert de rij op 2 meter. Alle combinaties zorgen dat ze de aandacht van de hond hebben. De lopende combinatie wandelt met aandacht (volg).

5. Begroeten.
De instructeur loopt naar de combinatie, de geleider geeft de hond het commando zit waarna de geleider de instructeur een hand geeft. De hond dient zich rustig te gedragen en mag niet tegen de instructeur opspringen of ander storend gedrag vertonen. Bij de gehele oefening mag koek gebruikt worden om te voorkomen dat de hond tegen de instructeur opspringt. In deze fase is het nog niet nodig om te oefenen dat de instructeur ook de hond begroet.

6. Zit & Blijf.(min +/-)
Het tot zit brengen van de hond dient te gebeuren zonder de hond aan te raken. De hond zit bij voorkeur naast de geleider, echter als de hond scheef zit wordt hiervoor geen aftrek gegeven. De hond dient te blijven zitten gedurende 30 seconden terwijl de geleider aan het einde van de riem gaat staan en op teken van de keurmeester, terug naast zijn hond stapt en de hond het ophefcommando geeft.

7. Af & Blijf.(min +/-)
Het tot af brengen van de hond dient te gebeuren zonder de hond aan te raken. De hond ligt bij voorkeur naast de geleider, echter als de hond scheef ligt wordt hiervoor geen aftrek gegeven. De hond dient te blijven liggen gedurende 30 seconden terwijl de geleider aan het einde van de riem gaat staan en op het teken van de keurmeester, terug naast zijn hond stapt en de hond het ophefcommando geeft.

8. Sta & Blijf.(min +/-)
De hond wordt vanuit de zit tot sta gebracht. Het tot staan brengen van de hond dient te gebeuren zonder de hond aan te raken. De hond staat bij voorkeur naast de geleider, echter als de hond scheef staat wordt hiervoor geen aftrek gegeven. De hond dient te blijven staan gedurende 30 seconden, terwijl de geleider aan het einde van de riem gaat staan en op het teken van de keurmeester terug stapt naast zijn hond en de hond het ophefcommando geeft.

9. Nee.
De hond negeert de hand met voer nadat het commando Nee is gegeven. Uitbouwen tot de geleider de hand niet meer hoeft te sluiten en de hond reageert op het commando Nee terwijl de hand open is en koek zichtbaar voor de hond. Het nee-koekje wordt niet alsnog gegeven. Er wordt beloond met een ander koekje, uit de andere hand. Vervolgens uitbouwen door het koekje op de grond te leggen waar de hond op het NEE commando het koekje negeert.

10. Trekspel.
De geleider mag de aangelijnde hond, op neushoogte van de hond, het speeltje aanbieden. Het speeltje moet een voorwerp zijn dat door zowel de hond als de geleider vastgehouden kan worden. (Het speeltje mag geen geluid maken of een bal zijn). De geleider dient het spel onder controle te hebben en dit op elk moment kunnen beëindigen. Wild gedrag moet gecorrigeerd kunnen worden door het spel onmiddellijk te beëindigen. De hond mag geen last hebben van de riem. Deze moet opgebost worden in de hand. Op aanwijzing van de keurmeester beëindigt de geleider het spel. De hond laat het speeltje bij voorkeur op commando los en de geleider heeft het speeltje in de handen. Als de hond op commando niet los laat, mag er geruild worden voor een voertje.

11. Spelapport.
De hond is aangelijnd of los, de geleider mag de hond opjutten met het apport. Het apport moet een voorwerp zijn dat door zowel de hond als de geleider vastgehouden kan worden. (Het apport mag geen geluid maken en geen bal zijn). Een flosstouw, een dummy of een apporteerblok is toegestaan. De geleider gooit het apport op korte afstand weg. De hond krijg het commando apport en pakt het apport op. Het vast-commando mag hierbij worden gebruikt. De geleider mag achteruit lopen en pakt het apport aan van de hond (commando los). Als vooruit lopen hierbij beter werkt is dat ook toegestaan. De hond laat het apport los en de geleider houdt het apport in handen. De hond mag het apport staand aanbieden.

12. Komen op bevel.(min +/-)
De instructeur houdt de hond vast en de geleider verlaat de hond op een afstand van minimaal 10 meter. De hond wordt met het commando “Hier” geroepen op 3 meter voorlangs de andere combinaties, de geleider maakt bij het komen gebruik van de twee brokken methode. Pas op de riem en de musketonhaak! Zorg dat de geleider de riem goed opbergt of op de grond legt met de voet erop (om te voorkomen dat de hond de riem oppakt en ermee wegrent). De hond hoeft niet in de zit.

13. Vastleggen.
De geleider maakt de hond vast aan een paal. De lengte van de riem dient zodanig te zijn dat de hond zich hierin niet verward: lengte van de lijn is gelijk aan de lengte vanaf de musketon tot de staartaanzet, vastgebonden op schofthoogte. De hond mag niet constant piepen of blaffen. De honden moeten zover uit elkaar worden vastgelegd dat de honden niet bij elkaar kunnen komen. De geleider gaat voor ongeveer 60 seconden op 5 meter afstand staan, dit mag in zicht. Bij terugkomst kan de geleider de (rustige) hond meteen losmaken van de paal en aangelijnd houden. De geleider maakt de hond eerst los en haalt de hond daarna pas aan. Dit om te voorkomen dat de hond de knoop steeds strakker trekt tijdens de begroeting.

14. Gebit tonen.
De hond krijgt het zitcommando en legt zijn bek in de hand van de geleider waarna deze rustig de hond aan alle kanten van de snuit aanraakt en de lip kan optillen zodat voortanden en kiezen zichtbaar zijn. Als de hond weerstand vertoont of de kop steeds wegtrekt, dient dit thuis geoefend te worden.

15. Voet.
De hond kan op commando zich dusdanig positioneren dat hij links naast de geleider komt te zitten, met zijn neus in dezelfde richting als zijn geleider. Bij het commando voet, dient de hond een rondje om de benen van de geleider te maken waarbij hij aan de rechterkant start en aan de linkerkant uitkomt in de zit positie. Het commando Voet dient gedurende de cursus steeds gebruikt te worden; tijdens het wachten aan de zijlijn, bij de start van een oefening en voorafgaande aan het volgen.

16. Gedrag van de hond.(min +/-)
Het gedrag van de hond mag niet hinderlijk zijn. Zowel niet te sociaal als asociaal gedrag. Een hond die bijt of die probeert te bijten wordt gediskwalificeerd. De geleider dient te allen tijde op zijn hond te letten. Ook tijdens het wachten en luisteren naar de instructies moet de geleider op zijn hond letten. De hond dient bij de geleider te blijven zitten, liggen of staan. De geleider let op dat de hond geen of minimaal contact maakt met andere honden. Fixeren moet door de geleider doorbroken worden door de aandacht te vragen en afstand te nemen van de andere hond. De hond mag andere honden niet uitdagen tot spel, als dit wel gebeurt, dient de geleider de hond bij zich te roepen en op andere wijze bezig te houden. De hond mag niet graven in het veld. De hond mag niet steeds opspringen tegen de geleider. De hond mag niet voortdurend blaffen. Een hond die zich snel verveelt moet door de geleider bezig gehouden worden. De geleider mag zijn hond oefeningen laten doen op de plek (zit, af, sta, touch, blijf, plaats (met matje), twist, voet, naast, poot). De geleider mag ook een stukje gaan lopen of even spelen met de hond, MITS dit op veilige manier kan en de andere cursisten niet stoort. De instructeur dient de geleider hier gedurende de cursus steeds op attent te maken.

17. Gedrag van de geleider.(min +/-)
Ruw gedrag van de geleider leidt tot diskwalificatie. Indien zich tijdens de toets een onveilige situatie voordoet terwijl de geleider dit had kunnen voorkomen (bijvoorbeeld een hond die tijdens een oefening losschiet), geeft dit een onvoldoende (-).

Beloningswoord.
Het beloningswoord is een hulpmiddel om het gewenste gedrag van je hond te bevestigen. Het beloningswoord is een woord dat je verder niet gebruikt in de normale spreektaal of communicatie na je hond, zoals YES, Super of SI. Het beloningswoord moet aangeleerd worden aan de hond: de geleider roept vrolijk YES en geeft de hond direct het brokje. Herhaal dit meerdere keren tot de hond het begrijpt. Na het beloningswoord wordt de hond altijd beloond met een brokje. Timing is belangrijk, het beloningswoord moet binnen 0.4 sec gegeven worden waarna het brokje zo snel mogelijk volgt. Het beloningswoord wordt vooral gebruikt bij het aanleren van nieuwe oefeningen en kan afgebouwd worden zoals ook het koekje kan worden afgebouwd.

Ophefcommando.
Het ophefcommando wordt aangeleerd aan de cursist (vrij). Dit commando dient om de hond te laten weten dat de opdracht is afgelopen en hij niet langer onder appel staat. Het commando wordt rustig en beheerst gegeven. Met name voor de blijf oefeningen en het volgen is het ophefcommando van belang. Het kan echter bij meer oefeningen gebruikt worden.

Delen via:
Share this page via Facebook Share this page via Twitter

Comments are closed.

Terug naar Gehoorzame Hond