Programma Jonge Hond

Terug naar Jonge Hond

1.Aandacht.
De hond kan op commando in de ogen van de geleider kijken. De handen van de geleider zijn bij de buik. De oefening wordt uitgebreid tot de hond circa 10 seconden kan kijken naar de geleider voordat hij beloond wordt. Er wordt voor extra afleiding gezorgd doordat de instructeur om de groep heen loopt tijdens de oefening. Dit kan in verschillende tempo’s; stap, huppel, jog.

Vaart: Terwijl de eigenaren met hun hond aan de kant van de weg staan, passeert er een fietser, op ongeveer 2 meter afstand van de groep. Tevens komt er een trimmer voorbij. De hond mag hierbij niet overdreven reageren en de lijn mag niet strak staan. De geleider doet de aandachtsoefening met de hond. Tijdens het oefenen ben je afhankelijk of er een fietser voorbij komt, de trimmer kan door de instructeur zelf worden gedaan.

Belangrijk: Deze oefening alleen uitvoeren met honden die hier op voorhand geen problemen mee hebben. (najagen). Heeft een hond hier problemen mee dan moet hier apart op geanticipeerd worden. (gedragsdeskundige) en doet de betreffende hond niet mee met de oefening, om het overnemen van dit gedrag door andere honden te voorkomen.

2.Wachten aan de stoeprand.
Tijdens het wandelen gaan we oversteken. De hond moet hiervoor 3 seconden wachten aan de stoeprand. De hond mag zitten of staan, dit gebeurt op commando (zit, wacht, sta etc). Kiest men voor het geven van een zit ipv een wacht, dan zal dit consequent moeten worden doorgevoerd bij iedere stoeprand, wat niet altijd even praktisch is. Ook op latere leeftijd kan een hond moeite krijgen met steeds zitten op commando, vandaar dat de voorkeur bij stoepranden uitgaat, naar het commando wacht. Op het teken van de instructeur mag er per combinatie worden overgestoken. De geleider geeft een signaal aan de hond voordat hij in beweging komt, er mag geen spanning op de riem komen/correctie gegeven worden. Als iedereen is overgestoken wordt er daarna een 2e keer overgestoken naar de oorspronkelijke kant van de weg.

3.Wandelen zonder trekken.
De hond kan wandelen zonder trekken. Hierbij hoeft niet gevolgd te worden. De hond mag snuffelen, plassen en poepen en hoeft niet steeds aandacht voor de baas te hebben. Hiervoor kan het traject langs de weg naar het water gelopen worden. De geleider houdt rekening met het verkeer en laat de hond aan de veilige kant lopen. Bij het wandelen met de hele lengte van de lijn mag de hond zijn behoefte doen. Eventuele uitwerpselen van de hond worden door de geleider opgeruimd. Deze oefening wordt in groepsverband gedaan, waarbij de combinaties elkaar volgen met een tussenruimte van tenminste 3 meter. De geleider loopt in een normaal wandeltempo

4.Volgen.
Vanuit de aandachtsoefening wordt nu beweging toegevoegd. Dit ziet er uit als volgen, geleider loopt een individueel parcours met bochten naar links en rechts van circa 10-15 meter. Er mag gebruik worden gemaakt van voer, stem om de aandacht van de hond bij de geleider te houden. Het is niet de bedoeling dat de hond achter het voertje aan loopt.

5.Voorlangs.
Volgen met aandacht voorlangs de groep geleiders met honden op afstand van 2 meter. Onderlinge afstand van de honden 2 meter.

6.Begroeten.
De geleider loopt met hond naar de instructeur (afstand ongeveer 5 meter) en geeft de hond het commando zit waarna de geleider de instructeur een hand geeft. De hond dient zich rustig te gedragen en mag niet tegen de instructeur opspringen of ander storend gedrag vertonen. Bij de gehele oefening mag koek gebruikt worden om te voorkomen dat de hond tegen de instructeur springt. In deze fase is het nog niet nodig om te oefenen dat de instructeur ook de hond begroet.

7.Zit & Blijf.
Als de hond het commando Zit nog niet beheerst moet deze apart aangeleerd worden. De hond moet op commando kunnen gaan zitten zonder dat de geleider de hond aanraakt. De geleider moet minimaal 1 stap opzij kunnen waarbij de hond de zit & blijf 15 seconden kan volhouden. De geleider stapt terug naast de hond en geeft de hond het ophefcommando.

8.Af & Blijf.
Als de hond het commando Af nog niet beheerst moet deze apart aangeleerd worden. De hond moet op commando af kunnen gaan zonder dat de geleider de hond aanraakt. Hierbij mag gebruik worden gemaakt van een handgebaar. De geleider moet minimaal 1 stap opzij kunnen waarbij de hond de af & blijf 15 seconden kan volhouden. De geleider stapt terug naast de hond geeft de hond het ophefcommando.

9.Sta & Blijf.
Als de hond het commando Sta nog niet beheerst moet deze apart aangeleerd worden. De hond moet op commando kunnen gaan staan. Dit mag vanuit de zit gebeuren. De geleider mag echter niet aan de lijn trekken om de hond te laten gaan staan. De geleider moet minimaal 1 stap opzij kunnen waarbij de hond de sta & blijf 15 seconden kan volhouden. De geleider stapt terug naast de hond en geeft de hond het ophefcommando.

10.Nee.
Wanneer de cursist het “nee (foei, uhhuhh)”commando gebruikt moet duidelijk zichtbaar zijn dat de hond stopt met het gedrag waarvoor gecorrigeerd werd. De hond negeert de hand met voer nadat het commando Nee is gegeven. Dit mag nog met een gesloten vuist. Het nee-koekje wordt niet alsnog gegeven. Er wordt beloond met een ander koekje, uit de andere hand.

11.Trekspel.
De geleider biedt het speeltje laag aan voor de neus van de hond en motiveert deze het speeltje te pakken. Het speeltje moet een voorwerp zijn dat door zowel de hond als de geleider vastgehouden kan worden. (Het speeltje mag geen geluid maken of een losse bal zijn). De geleider dient het spel onder controle te hebben en dit op elk moment kunnen beëindigen. De hond laat het speeltje op commando los en de geleider bergt het speeltje op. Hier mag nog geruild worden met een snoepje. Wild en respectloos gedrag als bijten in de handen van de geleider moet gecorrigeerd worden door het spel direct te beëindigen.

12.Spelapport.
De geleider mag de aangelijnde hond opjutten met het apport. Het apport moet een voorwerp zijn dat door zowel de hond als de geleider vastgehouden kan worden. (Het apport mag geen geluid maken en geen bal zijn). Een flosstouw, een dummy of een apporteerblok is toegestaan. De geleider gooit het apport op korte afstand weg (riemlengte). De hond krijg het commando apport en pakt het speeltje op. Het vast-commando mag hierbij worden gebruikt. De geleider mag achter- of vooruit lopen en pakt het apport aan van de hond of van de grond.

13.Komen op bevel.
De instructeur houdt de hond vast en de geleider verlaat de hond zonder deze onder appѐl (zonder ‘zit’ of ‘blijf’ commando) te zetten op een afstand van circa 5 meter.
De rest van de groep bevindt zich achter de hond en zijn/haar geleider.
De geleider roept de hond met het commando “Hier” en maakt bij het komen gebruik van de twee brokken methode. Pas op de riem en de musketonhaak! Zorg dat de geleider de riem goed opbergt of op de grond legt met de voet erop (om te voorkomen dat de hond de riem oppakt en ermee wegrent). De hond hoeft niet in de zit. De oefening kan eventueel verzwaard worden door meer afleiding te gebruiken. Denk hierbij aan een aantal speeltjes leggen in het looppad van de hond. Een stagiaire die door het looppad van de hond loopt. De opstelling van de groep zo veranderen dat de hond er tussendoor moet lopen (niet te dichtbij).

Varianten op komen op bevel
Pendule = hond heen en weer laten komen tussen twee personen
Voedselcircuitje = hond roepen, half rondje draaien en voertje weggooien, vervolgens hond weer roepen
Hier vanuit wandelen = geleider loopt met hond voorwaarts, geleider gaat na 5 meter achteruit lopen en roept de hond voor zich.

14.Vastleggen.
De geleider maakt de hond vast aan een paal. De lengte van de riem dient zodanig te zijn dat de hond zich hierin niet verward: lengte van de lijn is gelijk aan de lengte vanaf de musketon tot de staartaanzet, vastgebonden op schofthoogte. De hond mag niet constant piepen of blaffen. De palen moeten zover uit elkaar staan dat de honden niet bij elkaar kunnen komen. De geleider gaat op 1 à 2 meter afstand staan. Bij terugkomst kan de geleider de (rustige) hond meteen losmaken van de paal en aangelijnd houden. De geleider maakt de hond eerst los en haalt de hond daarna pas aan. Dit om te voorkomen dat de hond de knoop steeds strakker trekt tijdens de begroeting.

15.Gebit tonen.
De hond legt zijn bek in de hand van de geleider waarna deze rustig de hond aan alle kanten van de snuit aanraakt en de lip kan optillen zodat voortanden en kiezen zichtbaar zijn. Als de hond weerstand vertoont of de kop steeds wegtrekt, dient dit thuis geoefend te worden.

16.Medicijnen geven.
Uitleg geven over het geven van medicijnen. De geleider laat zien dat de hond het toestaat dat de geleider een brokje achter in de bek van de hond kan doen. De kop wordt omhoog gehouden en de geleider wrijft over de adamsappel van de hond om de slikreflex op te wekken.

17.Op tafel tillen.
De geleider tilt, zorgdragend dat de rug van de hond recht blijft, de hond op en zet de hond, via de kortste weg, op tafel. Bij grote honden kan de geleider eventueel hulp vragen. Bij hulp dient de geleider de voorkant van de hond te nemen en de helper de achterkant. De geleider dient de helper in details te vertellen hoe hij moet tillen.

18.Staand afdrogen.
De geleider droogt de hond staand af met behulp van een meegebrachte handdoek.
De rug, buik en poten dienen een droogbeurt te krijgen. Daarna wordt de hond geborsteld met een voor de vacht van de hond geschikte borstel of kam.
Daarna worden de poten en voetzolen gecontroleerd op steentjes of beschadigingen.
De hond dient dit alles rustig toe te laten.

NOTE: Denk eraan dat een hond geen kogelgewrichten heeft en de poten dus alleen naar achteren en naar voren bewogen kunnen worden. De poten opzij bewegen, geeft veel ongemak en pijn.

19.Betasten.
De geleider houdt de hond vast zodat deze niet van tafel kan vallen. De instructeur bekijkt de oren, laat de hand over de rug en poten van de hond gaan en tilt de staart iets op. De hond moet dit rustig ondergaan. De geleider mag de hond eventueel ter ondersteuning bij het hoofd vast houden. De geleider mag altijd geruststellend praten. Om de oefening prettiger te maken mag de hond gevoerd worden tijdens het betasten.

20.Snuitbandje.
De geleider moet zelfstandig een snuitbandje kunnen aanleggen bij een pluche hond. De knoop moet onder de snuit zitten en de strik achter de oren.

21.Voerbaktraining.
De hond wordt tot rust gebracht, bijvoorbeeld in een zittende positie. De voerbak met wat voer wordt op de grond gezet. Na toestemming mag de hond gaan eten. De geleider roept de naam van de hond en dient dan iets lekkers aan de voerbak toe te voegen terwijl de hond staat te eten. De hond mag hierbij niet grommen of bijten. NOTE: Deze oefening moet individueel worden aangeleerd en bij voorkeur op ruime afstand van de andere honden. Vraag altijd of bekend is of een hond voerbaknijd heeft. Als een geleider niet in de buurt van de hond kan komen, dient deze oefening niet gedaan te worden (risico op bijten). Eventueel kan de gedragsdeskundige ingeschakeld worden.

22.Voordeurtraining en openbare ruimtes.
De geleider gaat door een deur/sluis/hek. Hierbij dient de geleider eerst te gaan en dan de hond. Hierbij hoeft niet meer uitgelegd te worden dat dit de rangrelatie verduidelijkt (achterhaalde info). Op deze manier een deur door gaan geeft de baas meer overzicht en kan problemen voorkomen. In een openbare ruimte dient de geleider er voor te zorgen dat de hond zich rustig gedraagt. Dit kan geoefend worden in de trainingsruimte.

23.Meerkeuze toets. (min +).
Er wordt een meerkeuze toets afgenomen om de kennis van de geleider te toetsen.
Er worden 20 vragen gesteld waarvan er ten minste 16 goed dienen te zijn.
Eventueel kan de toets ook mondeling worden afgenomen. Dit dient van te voren aangegeven te worden aan de examencommissie.

Beloningswoord.
Het beloningswoord is een hulpmiddel om het gewenste gedrag van je hond te bevestigen. Het beloningswoord is een woord dat je verder niet gebruikt in de normale spreektaal of communicatie na je hond, zoals YES, Super of SI. Het beloningswoord moet aangeleerd worden aan de hond: de geleider roept vrolijk YES en geeft de hond direct het brokje. Herhaal dit meerdere keren tot de hond het begrijpt. Na het beloningswoord wordt de hond altijd beloond met een brokje. Timing is belangrijk, het beloningswoord moet binnen 0.4 sec gegeven worden waarna het brokje zo snel mogelijk volgt. Het beloningswoord wordt vooral gebruikt bij het aanleren van nieuwe oefeningen en kan afgebouwd worden zoals ook het koekje kan worden afgebouwd.

Ophefcommando.
Het ophefcommando wordt aangeleerd aan de cursist (vrij). Dit commando dient om de hond te laten weten dat de opdracht is afgelopen en hij niet langer onder appel staat. Het commando wordt rustig en beheerst gegeven. Met name voor de blijf oefeningen en het volgen is het ophefcommando van belang. Het kan echter bij meer oefeningen gebruikt worden.

Delen via:
Share this page via Facebook Share this page via Twitter

Comments are closed.

Terug naar Jonge Hond